Sluis-terminologie
VERKLARENDE WOORDENLIJST RONDOM SLUIZEN EN BRUGGEN
Aanslag Aanrakingsvlak op vaste ondersteuning waar bewegend deel (deur) tegen rust. Aanslaglijst Houten of metalen strook als aanrakingsvlak op bewegend deel (deur) die rust tegen de vaste ondersteuning.
Achterhar Eindstijl van het raamwerk van een sluisdeur, waaraan zich de draaipunten bevinden. Ankerschot Verankeringconstructie voor een grondkerende wand, in een vorm van een in de grond geplaatst schot van hout, staal of beton.
Ankerstang Rondstalen staaf die een grondkerende wand verbindt met de verankeringconstructie Bekleding Beschermende laag van hout, beton of ander materiaal. Synoniem voor beschieting of beschot.
Bekledingsdeel Houten plank als onderdeel van een bekleding.
Beplanking Bekleding in het verticale vlak of bedekking in het horizontale vlak, samengesteld uit houten delen (planken).
Beschieting Wand van houten delen, meestal gespijkerd op een houten stijl- en regelwerk. Beschoeiing Grondkerende constructie, in hoofdzaak bestaande uit een wand van hout, staal of beton en een verankering.
Beschoeiingdeel Horizontaal aangebrachte grondkerende plank.
Beschot Zie beschieting.
Bewegingswerk Werktuigbouwkundige constructie om een brug of sluisdeur te kunnen bewegen. Brugdek Bruggedeelte dat rechtstreeks wordt belopen of bereden.
Bruggenhoofd Zie landhoofd.
Conserveren Verduurzamen, d.i. Bestand maken tegen aantasting (bederf, rotting, roest, chemische aantasting, enz.).
Dagzijde Zichtbaar vlak of binnenvlak van een wand of muuropening.
Damplank In de grond te heien plank van hout, staal of beton, als onderdeel van een damwand. Damwand Ingeheide, uit damplanken samengestelde grond- of waterkerende wand.
Dekdeel Houten brugdekplank.
Deksloof Balk of strook van hout (ook wel van ander materiaal) die een beschoeiing afdekt en langs de bovenrand versterkt.
Deurkas Nis in een sluismuur tot berging van een sluisdeur in geopende stand.
Druk Kracht of spanning die ontstaat bij belasting op druk, uitgedrukt in kgf of tf als de totale kracht wordt bedoeld en uitgedrukt in kgf/ cm2 of tf/m2 als de kracht per eenheid van oppervlak (spanning of specifieke druk) wordt bedoeld.
Duiker Constructie om een waterloop of pijpleiding onder een weg of water door te voeren. Duikersluis Uitwateringssluis (in een dijk) met een sluiskoker die aan de bovenzijde is afgedekt. Glijvoering Houten bekleding van aanlegconstructies of sluismuren waarlangs gemeerde schepen kunnen glijden.
Glooiing Bekleed talud (grondbeloop) langs kanalen, dijken en dammen.
Gording Over meer steunpunten doorgaande balk (ligger), als onderdeel van remmingwerken en beschoeiingen; dakligger.
Hals Pen van het bovenste draaipunt van een sluisdeur.
Halsbeugel Aan de sluismuur bevestigde stalen ring, waarin de pen (hals) van een sluisdeur kan draaien.
Har Eindstijl van het raamwerk van een sluisdeur.
Heugelstang Stang van een windwerk, met rechthoekige door snede en aan één lange zijde voorzien van tanden.
Inkeping Met beitel of frees weggenomen gedeelte van een houten constructiedeel.
Inlaten Bevestigen in een inkeping of uitsparing, zodat er niets uitsteekt.
Kanaalstaal Staalprofiel met [ – vormige doorsnede.
Keermiddel Afsluitmiddel voor een sluis.
Keersluis Sluis waarmee het binnenstromen van hoog buitenwater in kanalen of havens wordt voorkomen.
Kesp Op palen rustende fundering- of koppelbalk.
Klamp Kort bevestigingshout.
Klos Kort stuk hout als vulstuk of console.
Kophout De zijde waarop de poriën of jaarringen zijn te zien; vlak loodrecht op de vezelrichting. Kunstwerk Waterbouwkundig bouwwerk in wegen, wateren of dijken.
Landhoofd Grondkerende ondersteuningsconstructie aan het einde van een brug.
Langhout Hout volgens de vezelrichting; vlak evenwijdig aan de vezels.
Ligger Balk als onderdeel van een dragende constructie.
Lijst Houten of metalen strook tot het vormen van aanslagvlakken.
Loef Inkeping in een balk om een kruisende balk gedeeltelijk te laten verzinken.
Loopremming Remmingwerk, ingericht voor verkeer te voet.
Loopsteiger Steiger, ingericht voor verkeer te voet.
Onderloopsheid Stroming van grondwater onderlangs een waterbouwkundig kunstwerk. Opklampen Twee beplankingen (beschietingen) zodanig op elkaar spijkeren, dat de delen elkaar haaks kruisen.
Oplegging Draagvlak of tussenconstructie op de plaats waar een ligger op de ondersteuning rust. Opsluiten Het borgen van houtverbindingen met pennen of nagels.
Overkeping Zie overloeving en inkeping.
Overloeving Kruising van twee balken, waarbij de bovenste gedeeltelijk in de onderste verzink
Overspanning Steunpuntafstand bij liggers.
Paalbok Een uit twee ter steek (schoor) geplaatste of ingeleide palen samengestelde fundering, verankering- of hijsconstructie.
Paaljuk Een uit heipalen en balken samengestelde constructie ter ondersteuning van een brug. Perkoenpaal Korte, dunne heipaal, o.a. Bestemd om in rijen te worden ingeheid, bijv. als ondersteuning van een taludbekleding.
Profiel Vorm van een dwarsdoorsnede; gewalst stalen constructiestaaf.
Regel Horizontaal geplaatst onderdeel van een stijl- en regelwerk of raamwerk.
Remkracht Kracht in lengterichting van een brug, veroorzaakt door een remmend voertuig. Remmingwerk Constructie voor het geleiden, afremmen en meren van schepen.
Rijvloer Samenstel van brugdek en ondersteuningsliggers van een brug.
Rinket Schuif in de deur van een schutsluis, waarmee gelijk water (voor en achter de deur) kan worden gemaakt.
Schamphout Plaatselijk bekledingshout, meestal op hoeken.
Scheluw Afwijkend van het platte vlak.
Schoen Stalen bekleedsel van houten constructiedeel.
Schoor Diagonaal geplaatst constructiedeel ter verstijving van het geheel; schuin geplaatste steun. Schotbalk Waterkerende balk in een sluis, als onderdeel van een stapeling, waarmede een noodkering kan worden gevormd.
Schranken Het vervormen van een stijl- en regelwerk in het eigen vlak.
Schroefstang Tot een windwerk behorende rondstalen stang, voorzien van zware schroefdraad (draadstang).
Schutsluis Sluis voor het verbinden van twee vaarwegen op ongelijk niveau.
Slagdrempel Aanslagconstructie in de vloer van een sluis t.b.v. De onderaanslag van de sluisdeur.
Slagstijl Aanslagconstructie in de deurkas van een sluis t.b.v. De achteraanslag van de sluisdeur. Sluishoofd Sluisgedeelte waarin zich de keermiddelen (sluis- deuren) bevinden.
Spanning Een per oppervlakte-eenheid in- of uitwendig overgebrachte kracht (kgf/cm2). Sponning Doorgaande groef in een houten constructiedeel of in een muur.
Spoorspijker Zware spijker met haakvormige kop, bestemd voor het vastspijkeren van onderlegplaten of rails op de dwarsliggers van een spoorbaan.
Sprong Bij puntdeuren de verhouding tussen hoogte en breedte van de V-vorm die de slagdrempel vertoont.
Stabiliteit Standzekerheid; weerstand tegen verzakken of kantelen.
Stempeling Op druk belaste (tijdelijke) ondersteuning; koppeling van wanden of andere constructiedelen
Sterkte Weerstand tegen breuk.
Stijfheid Weerstand van een constructie tegen vervorming.
Stijl Verticaal geplaatst onderdeel van een stijl- en regelwerk of raamwerk.
Stijl- en regelwerk Constructie, samengesteld uit stijlen en regels, samen een raamwerk of frame vormend, meestal bestemd om er een beschieting of beplating tegen aan te brengen.
Strijkgording Gording die tevens voor geleiding of bekleding dient.
Strip Metalen strook met rechthoekige doorsnede.
Taats De zich op de sluisvloer bevindende pen, deel van het onderste draaipunt van een sluisdeur. Taatskom Het zich aan de onderzijde van de achterhar bevindende onderdeel van het onderdraaipunt van een sluisdeur; de taatskom rust op de taats en kan daaromheen draaien.
Talud Hellende begrenzing van een grondlichaam of ingraving; synoniem voor beloop.
Trekstang Rondstalen stang met wartel die het wijken van de gekoppelde constructiedelen moet voorkomen.
Troskracht De trekkracht die in de kabels van een gemeerd schip kan voorkomen.
Vakwerk Staalconstructie, waarvan de staven driehoeken vormen, zodat een vormvast geheel ontstaat.
Verduurzamen Beschermen tegen aantasting (corrosie).
Verzonken kop Kop van een bevestigingsmiddel, zodanig aangebracht dat er niets buiten het buitenvlak van de constructie uitsteekt.
Voering Binnenbekleding.
Volgring Ronde onderlegplaat voor een schroefbout.
Voorhar Eindstijl van een sluisdeur, aan de andere zijde van de achterhar.
Wachtdeur Zelfwerkende sluisdeur in een uitwateringssluis, die het terugstromen van hoog buitenwater moet voorkomen.
Waking Overhoogte van een waterkerende constructie, dam of dijk.
Wartel Verbindingsstuk tussen twee delen van een trekstang of ankerstang, voorzien van tegengestelde schroefdraad, zodat door het aandraaien de stang wordt gespannen; synoniem voor spanslot of span schroef.
Windwerk Bewegingswerk (hefwerk) voor een schuif.
Wrijfhout Plaatselijk bekledingshout.
Wrijfstijl Tegen een paal bevestigd bekledingshout.